Spreekwoorden

Taalkabaal, spreekwoorden
 
  1. Het beste grietje dat men vond, was zij die de duivel op een kussen bond.
    wordt gezegd van iemand die flink is en iedereen klein krijgt.
  2. Een pilarenbijter.
    een huichelaar of schijnheilige.
  3. Vuur in de ene hand dragen, en water in de andere.
    onoprecht of dubbelhartig zijn.
  4. De haring braden om de rog of kuit.
    klaplopen, zijn geld verkwisten.
  5. Tussen twee stoelen in de as zitten.
    geen van twee mogelijkheden of kansen weten te gebruiken en daardoor in een benarde positie komen.
  6. De hond in de pot vinden.
    komen als het eten op is.
  7. Het varken trekt de tap uit.
    het is met tappen gedaan, of: de zaken van de waard gaan slecht.
  8. Met het hoofd tegen de muur lopen.
    zijn zin trachten door te drijven tegen het onmogelijke in.
  9. De één scheert de schapen, de ander de varkens.
    de één heeft de wol (voordeel), de ander waardeloos varkenshaar (nadeel).
  10. De kat de bel aanbinden.
    de eerste stap doen om een gevaarlijk plan tot uitvoering te brengen.
  11. Daar hangt de schaar uit.
    het is er duur, men wordt er van zijn geld beroofd.
  12. Aan één been knagen.
    werken aan iets dat veel inspanning vraagt, maar niets oplevert.
  13. Ongelegde eieren zijn onzekere kuikens.
    iets waarvan het nog heel onzeker is of het plaats zal hebben of: iemand het ei uit zijn gat vragen alles willen weten; onbescheiden vragen stellen.
  14. Hij draagt de dag met manden uit.
    hij verkwist zijn tijd.
  15. Voor de duivel een kaars aansteken.
    trachten overal vrienden te krijgen.
  16. Bij de duivel te biecht gaan.
    zijn geheimen toevertrouwen aan een onbetrouwbaar mens.
  17. Een oorblazer.
    een kwaadspreker, opruier.
  18. De één rokkent wat de ander spint.
    de één ontwerpt een boos plan, dat door de ander wordt uit- gevoerd; 'rokken' is vlas of wol op een spinstok winden.
  19. Zij hangt haar man de blauwe buik om.
    ze bedriegt hem; een 'huik' is een lange mouwloze mantel.
  20. Als het kalf verdronken is dempt men de put.
    de fout herstellen als het te laat is.
  21. Men moet zich krammen wil men door de wereld kommen.
    om iets te bereiken moet men moeite doen.
  22. Rozen voor varkens werpen.
    geschenken of goede raad verspillen aan hen die dat niet waard zijn.
  23. Het varken is door de buik gestoken.
    de zaak is vooraf bedisseld.
  24. Twee honden aan één been komen zelden overeen.
    twee die hetzelfde willen, maar er met elkaar om ruziën.
  25. De vos en de kraan hebben elkaar te gast.
    de bedrieger bedrogen.
  26. Het is gezond in het vuur te pissen.
    het is goed om hevigheid te kalmeren of: zijn vuur is uitgepist er zit geen fut meer in.
  27. Hij laat de wereld op zijn duim draaien.
    hij is machtig.
  28. Een spaak in het wiel steken.
    de voortgang belemmeren.
  29. Die zijn pap stort, kan die niet allemaal weer oprapen.
    eenmaal aangerichte schade kan niet meer worden hersteld.
  30. Hij zoekt het bijltje.
    hij zoekt ruzie.
  31. Hij weet nauwelijks van het ene brood tot het andere te geraken.
    hij kan nauwelijks rondkomen
  32. Zij trekken om het langste eind.
    zij proberen er alletwee voordeel uit te halen.
  33. Wijder gapen dan de oven.
    een grote mond opzetten; spreken zonder aangehoord te worden.
  34. Onze heer een vlassen baard aandoen.
    huichelen, God bedriegen.
  35. In zijn eigen licht zitten.
    zijn eigen zaak doen mislukken.
  36. Zij raapt het kippenei en laat het ganzenei lopen.
    zij gebruikt het kleine en verwaarloost het grote.
  37. Hij is door de mand gevallen.
    hij heeft moeten bekennen.
  38. Op hete kolen zitten.
    ongeduldig zijn.
  39. De verkeerde wereld.
    alles staat op zijn kop; het kruis aan de wereldbol hangt omlaag.
  40. Op de wereld schijten.
    er maling aan hebben.
  41. De gekken krijgen de kaart.
    het geluk is met de dwazen.
  42. Elkaar bij de neus nemen.
    elkaar bedriegen.
  43. Iets door de vingers zien.
    iets oogluikend toelaten.
  44. Onder de bezem getrouwd.
    ongehuwd samenleven.
  45. De bezem uitsteken.
    feestvieren
  46. Daar groeien vlaaien op het dak.
    daar leeft men in overvloed.
  47. Tegen de maan pissen.
    volgens volksgeloof brengt dit ongeluk.
  48. Dat zijn twee hoofden onder een kaproen.
    zij zijn het met elkaar eens; een 'kaproen' is een soort muts.
  49. Gekscheren.
    spotten .
  50. Achter het net vissen.
    te laat komen en zijn kans voorbij laten gaan.
  51. Er zijn gat aan afvegen.
    er maling aan hebben.
  52. Van de os op de ezel springen.
    wispelturig zijn.
  53. Op de kaak spelen.
    zich onrechtmatig iets toeeigenen.
  54. Zijn pijlen verschieten.
    zijn krachten verspillen; zijn geld uitgeven.
  55. Waar het hek open is, lopen de varkens in het koren.
    door slordigheid gaat het fout.
  56. Hij hangt de huik naar de wind.
    hij verandert van partij wanneer dat voordeel oplevert; een huik is een lange mouwloze mantel.
  57. Zij kijkt naar de ooievaar.
    zij is lui of zij verwacht een kind.
  58. Koren in de wind wannen.
    nutteloos werk doen; een 'wan' is een grote platte mand die gebruikt wordt om het koren van het kaf te scheiden.
  59. Grote vissen verslinden de kleine.
    machtigen verdrukken de zwakken.
  60. Hij kan de zon niet in het water zien schijnen.
    hij is afgunstig.
  61. Tegen de stroom inzwemmen.
    ondanks tegenstand zijn doel willen bereiken.
  62. Een aal bij de staart hebben.
    dingen doen die mislukken.
  63. Van andermans leer is het goed riemen snijden.
    het is gemakkelijk met kwistige hand om te gaan met spullen van een ander.
  64. De kap over de haag werpen.
    zijn klooster of beroep vaarwel zeggen.
  65. Zijn geld in het water werpen.
    zijn geld verspillen.
  66. Zij schijten alletwee door één gat.
    ze zijn het met elkaar eens.
  67. Twee vliegen in één klap vangen.
    twee voordelen ineens behalen; twee zaken in één moeite afdoen.
  68. Waar rook is, is vuur.
    niets is zonder oorzaak; er gaat geen praatje of er is iets van waar of: terwijl de één zijn huis brandt, warmt de ander zijn handen de één profiteert van het ongeluk van de ander.
  69. Wilde beren zijn bij de ander gheeren.
    zelfs wilde beren behandelen hun wijfje zacht.
  70. Wie weet waar omme de ganzen bervoets gaan? hierom, daarom gaan de ganzen bervoets.
    alles heeft zijn reden.
  71. Een oogje in het zeil houden.
    toezien dat er niets misgaat.
  72. Hij beschijt de galg.
    Hij trotseert de galg.
  73. Koe is koe, uier is koe.
    Alle vrouwen zijn hetzelfde.