- Het beste grietje dat men vond, was zij die de duivel op een kussen bond.
wordt gezegd van iemand die flink is en iedereen klein krijgt.
- Een pilarenbijter.
een huichelaar of schijnheilige.
- Vuur in de ene hand dragen, en water in de andere.
onoprecht of dubbelhartig zijn.
- De haring braden om de rog of kuit.
klaplopen, zijn geld verkwisten.
- Tussen twee stoelen in de as zitten.
geen van twee mogelijkheden of kansen weten te gebruiken en daardoor in een benarde
positie komen.
- De hond in de pot vinden.
komen als het eten op is.
- Het varken trekt de tap uit.
het is met tappen gedaan, of: de zaken van de waard gaan slecht.
- Met het hoofd tegen de muur lopen.
zijn zin trachten door te drijven tegen het onmogelijke in.
- De één scheert de schapen, de ander de varkens.
de één heeft de wol (voordeel), de ander waardeloos varkenshaar (nadeel).
- De kat de bel aanbinden.
de eerste stap doen om een gevaarlijk plan tot uitvoering te brengen.
- Daar hangt de schaar uit.
het is er duur, men wordt er van zijn geld beroofd.
- Aan één been knagen.
werken aan iets dat veel inspanning vraagt, maar niets oplevert.
- Ongelegde eieren zijn onzekere kuikens.
iets waarvan het nog heel onzeker is of het plaats zal hebben of: iemand het ei uit zijn
gat vragen alles willen weten; onbescheiden vragen stellen.
- Hij draagt de dag met manden uit.
hij verkwist zijn tijd.
- Voor de duivel een kaars aansteken.
trachten overal vrienden te krijgen.
- Bij de duivel te biecht gaan.
zijn geheimen toevertrouwen aan een onbetrouwbaar mens.
- Een oorblazer.
een kwaadspreker, opruier.
- De één rokkent wat de ander spint.
de één ontwerpt een boos plan, dat door de ander wordt uit- gevoerd; 'rokken' is vlas of
wol op een spinstok winden.
- Zij hangt haar man de blauwe buik om.
ze bedriegt hem; een 'huik' is een lange mouwloze mantel.
- Als het kalf verdronken is dempt men de put.
de fout herstellen als het te laat is.
- Men moet zich krammen wil men door de wereld kommen.
om iets te bereiken moet men moeite doen.
- Rozen voor varkens werpen.
geschenken of goede raad verspillen aan hen die dat niet waard zijn.
- Het varken is door de buik gestoken.
de zaak is vooraf bedisseld.
- Twee honden aan één been komen zelden overeen.
twee die hetzelfde willen, maar er met elkaar om ruziën.
- De vos en de kraan hebben elkaar te gast.
de bedrieger bedrogen.
- Het is gezond in het vuur te pissen.
het is goed om hevigheid te kalmeren of: zijn vuur is uitgepist er zit geen fut meer in.
- Hij laat de wereld op zijn duim draaien.
hij is machtig.
- Een spaak in het wiel steken.
de voortgang belemmeren.
- Die zijn pap stort, kan die niet allemaal weer oprapen.
eenmaal aangerichte schade kan niet meer worden hersteld.
- Hij zoekt het bijltje.
hij zoekt ruzie.
- Hij weet nauwelijks van het ene brood tot het andere te geraken.
hij kan nauwelijks rondkomen
- Zij trekken om het langste eind.
zij proberen er alletwee voordeel uit te halen.
- Wijder gapen dan de oven.
een grote mond opzetten; spreken zonder aangehoord te worden.
- Onze heer een vlassen baard aandoen.
huichelen, God bedriegen.
- In zijn eigen licht zitten.
zijn eigen zaak doen mislukken.
- Zij raapt het kippenei en laat het ganzenei lopen.
zij gebruikt het kleine en verwaarloost het grote.
- Hij is door de mand gevallen.
hij heeft moeten bekennen.
- Op hete kolen zitten.
ongeduldig zijn.
- De verkeerde wereld.
alles staat op zijn kop; het kruis aan de wereldbol hangt omlaag.
- Op de wereld schijten.
er maling aan hebben.
- De gekken krijgen de kaart.
het geluk is met de dwazen.
- Elkaar bij de neus nemen.
elkaar bedriegen.
- Iets door de vingers zien.
iets oogluikend toelaten.
- Onder de bezem getrouwd.
ongehuwd samenleven.
- De bezem uitsteken.
feestvieren
- Daar groeien vlaaien op het dak.
daar leeft men in overvloed.
- Tegen de maan pissen.
volgens volksgeloof brengt dit ongeluk.
- Dat zijn twee hoofden onder een kaproen.
zij zijn het met elkaar eens; een 'kaproen' is een soort muts.
- Gekscheren.
spotten .
- Achter het net vissen.
te laat komen en zijn kans voorbij laten gaan.
- Er zijn gat aan afvegen.
er maling aan hebben.
- Van de os op de ezel springen.
wispelturig zijn.
- Op de kaak spelen.
zich onrechtmatig iets toeeigenen.
- Zijn pijlen verschieten.
zijn krachten verspillen; zijn geld uitgeven.
- Waar het hek open is, lopen de varkens in het koren.
door slordigheid gaat het fout.
- Hij hangt de huik naar de wind.
hij verandert van partij wanneer dat voordeel oplevert; een huik is een lange mouwloze
mantel.
- Zij kijkt naar de ooievaar.
zij is lui of zij verwacht een kind.
- Koren in de wind wannen.
nutteloos werk doen; een 'wan' is een grote platte mand die gebruikt wordt om het koren
van het kaf te scheiden.
- Grote vissen verslinden de kleine.
machtigen verdrukken de zwakken.
- Hij kan de zon niet in het water zien schijnen.
hij is afgunstig.
- Tegen de stroom inzwemmen.
ondanks tegenstand zijn doel willen bereiken.
- Een aal bij de staart hebben.
dingen doen die mislukken.
- Van andermans leer is het goed riemen snijden.
het is gemakkelijk met kwistige hand om te gaan met spullen van een ander.
- De kap over de haag werpen.
zijn klooster of beroep vaarwel zeggen.
- Zijn geld in het water werpen.
zijn geld verspillen.
- Zij schijten alletwee door één gat.
ze zijn het met elkaar eens.
- Twee vliegen in één klap vangen.
twee voordelen ineens behalen; twee zaken in één moeite afdoen.
- Waar rook is, is vuur.
niets is zonder oorzaak; er gaat geen praatje of er is iets van waar of: terwijl de één
zijn huis brandt, warmt de ander zijn handen de één profiteert van het ongeluk van de
ander.
- Wilde beren zijn bij de ander gheeren.
zelfs wilde beren behandelen hun wijfje zacht.
- Wie weet waar omme de ganzen bervoets gaan? hierom, daarom gaan de ganzen
bervoets.
alles heeft zijn reden.
- Een oogje in het zeil houden.
toezien dat er niets misgaat.
- Hij beschijt de galg.
Hij trotseert de galg.
- Koe is koe, uier is koe.
Alle
vrouwen zijn hetzelfde.
|
|
|